Nieuws

23 augustus 2018 (inkomstenbelasting)

Verlies op participaties in filmfonds is niet aftrekbaar

Volgens rechtbank Den Haag vormt de participatie in een filmfonds geen bron van inkomen. Uitgaande van de te verwachten rendementen (zonder rekening te houden met fiscale faciliteiten) kon belanghebbende, objectief bezien, redelijkerwijs niet verwachten dat met de participatie een voordeel kon worden behaald. De participaties zijn dientengevolge geen bron van inkomen.

Belanghebbende neemt vanaf 2013 voor € 20.000 deel in een filmfonds dat de intentie heeft twee films te produceren en te exploiteren. De totale kosten hiervan zijn in de prospectus begroot op € 5.904.484. Volgens de inspecteur zijn de participaties in het filmfonds voor belanghebbende geen bron van inkomen, waardoor het in zijn IB-aangifte over 2013 geclaimde verlies van € 17.200 niet in aftrek wordt toegestaan.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat belanghebbende in 2013 objectief bezien redelijkerwijs niet mocht verwachten dat met de participaties een voordeel zou worden behaald. Bij minder dan één derde van andere vergelijkbare Nederlandse films is namelijk een opbrengst van € 5.000.000 of meer behaald. De in de prospectus opgenomen lijst van films bevat bovendien geen enkele film die door dezelfde maatschappij is geproduceerd en in het bovenste segment (opbrengst minstens € 5.000.000.-) zit. Het beroep van belanghebbende is ongegrond. (ECLI:NL:RBDHA:2018:9207)

10 augustus 2018 (inkomstenbelasting)

Inkomsten uit PGB zijn ROW

Belanghebbende verzorgt haar moeder in 2016 en ontvangt hiervoor € 38.659 aan inkomsten uit het PGB van haar moeder. De inspecteur belast de inkomsten als resultaat overige werkzaamheden (ROW). Belanghebbende is het hier niet mee eens. Volgens haar is sprake van een onkostenvergoeding. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de PGB-inkomsten van belanghebbende terecht tot haar ROW heeft gerekend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende haar werkzaamheden in het economische verkeer verricht, en dat er geen sprake is van een onkostenvergoeding, aangezien er slechts sprake is van € 2.371,- aan aftrekbare kosten. Belanghebbende wordt in het ongelijk gesteld. (ECLI:NL:RBNNE:2018:2003)

7 juli 2018 (zorgverzekeringswet)

Pensioen uit Australië behoort tot premie-inkomen

Belanghebbende is inwoner van Nederland en heeft zowel de Australische als de Nederlandse nationaliteit. Hij ontvangt een pensioen uit Australië. In geschil is of dit Australische pensioen tot het premie-inkomen voor de volksverzekeringen en tot het bijdrage-inkomen voor de zorgverzekeringswet behoort. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft aangegeven dat belanghebbende als verzekerde voor de volksverzekeringen en zorgverzekeringswet moet worden aangemerkt. De belastingheffing over het pensioen is op grond van het belastingverdrag toegewezen aan Australië. In Australië wordt het pensioen alleen belast met een belastingbedrag omdat Australië geen stelsel van premieheffing kent ten behoeve van de sociale zekerheid of de medische verzorging. Verder is het hof van oordeel dat het belastingverdrag Nederland-Australië betrekking heeft op belastingheffing en niet op de heffing van sociale premies. Belanghebbende is bij de Hoge Raad in beroep gegaan maar deze heeft het ingestelde cassatieberoep ongegrond verklaard. (ECLI:NL:HR:2018:1037)

29 juni 2018 (omzetbelasting)

Sportaccommodaties, verhuur ligplaatsen jachthaven

De verhuur van ligplaatsen in een jachthaven is niet aan te merken als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening onder terbeschikkingstelling van een sportaccommodatie, maar als de verhuur van parkeerruimte voor boten. De ligplaatsen zijn op zichzelf beschouwd niet bestemd voor sportoefening. De Hoge Raad oordeelt dat hierop het algemene btw-tarief van 21% van toepassing is en niet het verlaagde tarief van 6%. (ECLI:NL:HR:2018:912)

27 juni 2018 (omzetbelasting)

Met CRM-vrachtbrief en e-AD-document kan vervoer van goederen worden aangetoond.

Het Hof van Justitie stelt in het Enteco Baltic arrest vast, dat aan de hand van handelsdocumenten, zoals CMR-vrachtbrieven, die voorafgaand aan de verzending of het vervoer naar de lidstaat van bestemming worden opgesteld, objectief kan worden vastgesteld dat de ingevoerde goederen op het tijdstip van invoer bestemd zijn om naar een andere lidstaat te worden verzonden of vervoerd. Ditzelfde geldt voor het e-AD-document aan de hand waarvan ook kan worden gesteld dat het ingevoerde goed op het tijdstip van invoer bestemd was om naar een andere lidstaat te worden verzonden. (HvJ 20-06-2018 Enteco Baltic C-108/17)

26 juni 2018 (omzetbelasting)

Plaats van dienst voor diensten op het gebied van sportmanagement in Nederland gelegen.

A is een van de firmanten van een VOF. De VOF bemiddelt, via A, tussen volleybalsters en buitenlandse volleybalclubs. De VOF berekent op de facturen echter geen btw. De VOF stelt dat de diensten dienen te worden aangemerkt als diensten verricht door raadgevende personen/adviseurs, en dat de buitenlandse clubs derhalve de opdrachtgevers zijn (B2B-diensten). Volgens de VOF is de plaats van dienst dan niet in Nederland gelegen, zodat geen Nederlandse btw is verschuldigd. De inspecteur is echter van mening dat de verleende diensten moeten worden aangemerkt als belangenbehartiging ten behoeve van de speelsters, en dat de plaats van dienst in Nederland is gelegen (B2C-diensten). Rechtbank Gelderland oordeelt dat de inspecteur aannemelijk maakt dat A is opgetreden als manager van de speelsters. De speelsters zijn daarom aan te merken als de afnemers van de door A verrichte prestaties, en de plaats van de diensten is in Nederland gelegen.(ECLI:RBGEL:2018:2440)

26 juni 2018 (vennootschapsbelasting)

Zakelijkheid huisvestings- en verkoopkosten niet aannemelijk gemaakt

Belanghebbende verricht onder meer advies- en bemiddelingsdiensten op het gebied van vastgoed. Belanghebbende heeft een "Gebruiksovereenkomst kantoorruimte/opslag" gesloten met een goede bekende (S) van haar middellijk aandeelhouder. Onderwerp van de gebruiksovereenkomst is een (deel van het) appartement dat gehuurd wordt door S. Naar aanleiding van een boekenonderzoek corrigeert de Inspecteur de door belanghebbende in aftrek gebrachte huisvestingskosten en verkoopkosten. De huisvestingkosten hebben betrekking op het appartement. De verkoopkosten betreft de aanschaf van wijnen. In geschil is of aan deze kosten een zakelijk motief ten grondslag ligt. Hof Den Haag oordeelt dat belanghebbende er niet in is geslaagd de zakelijkheid van de huisvestingskosten en verkoopkosten aannemelijk te maken. Het enkel overleggen van verklaringen van directeuren van verschillende bedrijven is onvoldoende omdat deze te weinig specifiek zijn om aannemelijk te maken dat het appartement ten behoeve van belanghebbende als vergader- en ontvangstruimte is gebruikt en dat de wijnen voor zakelijk doeleinden zijn aangeschaft. (ECLI:NL:GHDHA:2018:1463)

25 juni 2018 (inkomstenbelasting)

ICT- en schrijverswerkzaamheden vormen geen bron van inkomen

Belanghebbende exploiteert vanuit zijn eenmanszaak ICT-activiteiten. Daarnaast is belanghebbende bezig met het schrijven van een boek over de juridische afwikkeling van de erfenis van zijn vader. In geschil is of deze activiteiten in het jaar 2014 een bron van inkomen vormen. Belanghebbende meent dat dit het geval is en wenst voor 2014 een verlies in aanmerking te nemen.

Hof Den Haag is met de rechtbank van oordeel dat de activiteiten van belanghebbende geen bron van inkomen opleveren. Gelet op de omstandigheden dat de ICT-activiteiten sinds 2006 verlieslijdend zijn en dat tegenover de geringe omzet relatief hoge kosten staan, is het niet aannemelijk geworden dat in het jaar 2014 redelijkerwijs een voordeel uit deze activiteiten verwacht kon worden. Belanghebbende heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij met het schrijven van het boek deelneemt aan het economische verkeer en dat hij met deze activiteit redelijkerwijs een voordeel kan verwachten. Gesteld noch gebleken is dat zicht bestaat op publicatie van het boek. (ECLI:NL:GHDHA:2018:1457)

24 juni 2018 (omzetbelasting)

Wanneer is sprake van ondernemerschap in de btw?

Een ondernemer is degene die zelfstandig een bedrijf of beroep uitoefent om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen. Bij de btw is al snel sprake van ondernemerschap. Het verschil met het ondernemerschap in de inkomstenbelasting is, dat het beogen van winst geen voorwaarde is voor ondernemerschap voor de btw.